Log in
Ik temperde mijn ouders (81), trouwe BU-lezers, wel eens in hun drang om hun uitvaart al te willen invullen. “Het kan nog wel tien jaar duren, wie weet wat jullie dan willen”, verzuchtte ik toen ze een bepaalde locatie afkraakten – ongezellig en de stoelen niet comfortabel genoeg. “Misschien wel een vorm van lijkbezorging die nu nog niet bestaat.” Ook waarschuwde ik mijn vader dat de kans op de door hem gewenste dood – zomaar neervallen – tegenwoordig erg klein is.
Marjon Weijzen

Toch ging hij zo. Zomaar, vanuit zijn stoel, terwijl hij zat te lezen. Mijn moeder stond erbij te stofzuigen.

Mijn vader zweefde nog anderhalve dag tussen leven en dood. Ik dacht die dag niet over zijn uitvaart. Ik werkte, zodat ik als het nodig zou zijn alles uit mijn handen kon laten vallen. Eind van de middag was het zover. Op de IC namen ze het gelukkig niet zo nauw met de coronaregels, zodat wij met zijn allen om zijn bed mochten staan toen zijn hart stopte. In het holst van de nacht, tijdens de autorit naar huis – voortaan het huis van mijn moeder – zetten we de kaders uit voor de uitvaart. Mijn zus achter het stuur, mijn broer ernaast, mijn moeder en ik achterin; de ‘autovergadering’ heet het nu in ons gezinsjargon.

Mijn moeder wilde geen kerkelijke uitvaart en geen begrafenis meer, die stonden nog wel op hun laatste wensenlijstje. De zaal waar ze hun veertigjarig huwelijk vierden was