Opeens zie je ze overal. Bankjes met daarop een naamplaatje, jaartallen en al dan niet een mijmertekstje. Tegen welke achtergrond zijn zulke herinneringsbankjes ontstaan, en… voor wie zijn ze?
Tekstbordje op gedenkbankje Strabrechtse Heide, oktober 2024.
Tijdens het Funeraire Academie symposium Paden van Rouw verkende emeritus professor rituelenstudies Paul Post de herdenkingsbankjes als materieel ritueel. Hoewel al lange tijd populair in Engeland, de VS en Canada, is het een betrekkelijk nieuw fenomeen in Nederland. De herinneringsbankjes kwamen op in de jaren 90, vaak als sponsormodel voor natuurbeheerders om bankjes langs natuurpaden te onderhouden. In 2006 kwamen daar de social sofa’s bij als ‘stedelijke innovatie’ en vanaf 2015 zijn er bankjes voor het herdenken van individuen. Heel recent zien we bankjes die aandacht vragen voor collectieve doelen, zoals corona, zelfdoding, dementie en alzheimer.
Post noemt allerlei analytische elementen, zoals de lichamelijkheid van het zitten, wandelen, de rituelen die ontstaan rondom een bankje: ze worden geopend, in gebruik genomen en vooral ook benoemd met een tekstbordje. De taal op en rond de bankjes is een verhaal apart. Intrigerend is de vraag voor wie de bankjes zijn, voor de doden of de nabestaanden? Volgens Post gaat het om de continuing bonds met de doden. Zij worden present gesteld, in leven gehouden. Rest nog het publieke aspect van de herinneringsbankjes, waarbij Post het element van gemeenschap centraal stelt. Naar buiten treden met gedachtenis, en tegelijk een schenking willen doen aan de gemeenschap.