Lees verder
De uitvaart werkt vaak als een sluitsteen van iemands biografie. Natashe Lemos Dekker onderzoekt ‘een goede dood’ bij dementie.
Laura Cramwinckel

Natashe Lemos Dekker (35) is medisch antropoloog en promoveert in september aan de UvA op een onderzoek naar dementie en het levenseinde. Vanuit haar belangstelling voor wat mensen met dementie, hun familieleden en zorgverleners belangrijk vinden bij het levenseinde, onderzocht ze hoe zij een ‘goede’ dood proberen te bereiken.

Trapsgewijs

Omdat dementie geleidelijk verloopt merkt Lemos Dekker dat verlies en rouw gedurende de ziekte al een rol spelen. “Patiënten en hun naasten worden steeds geconfronteerd met verlies, passen zich daarop aan, en worden vervolgens geconfronteerd met een nieuw verlies.” Tegelijkertijd zijn naasten ook bezig met het geven van zorg, het behouden van een band en zoeken ze manieren om contact te maken dat voor hen beiden betekenisvol is. “Voorzorg zou zich kunnen richten op deze ambigue ervaring van tegelijkertijd verlies verwerken en contact behouden.”

In haar proefschrift toont Lemos Dekker dat mensen met dementie, naasten en zorgprofessionals constant bezig zijn met anticiperen. “Ze proberen constant grip te krijgen op de duur en het verloop van het levenseinde. Hier zit ook een aanname in dat als je de dood kan anticiperen je ook betere zorg kan geven.”

Tijd heeft invloed op het streven naar een goede dood en op de mate waarin de dood als ‘goed’ gezien wordt: of de dood op het juiste moment komt, of het te lang heeft geduurd, of het sterven te snel is gegaan. Dit kan heel dubbel zijn: men moet genoeg tijd hebben om afscheid te nemen, maar het sterven moet ook weer niet te lang uitgerekt worden.

“Dementie is vaak niet de afsluiting die mensen willen. De vraag is hoe dan ruimte te geven aan die laatste ziektefase tijdens de uitvaart, hoe de persoon te herinneren?”