Log in
Professionele rouwers bij een uitvaart associëren we tegenwoordig met exotische culturen, maar is het – in de vorm van huilebalk – ook een oer-Hollands verschijnsel? Die vraag werd opgeroepen door de prent Een Haagsche Begrafenis in het eerste nummer van dit jaar. Funerair historicus Wim Cappers zocht het uit.
Wim Cappers

In het Funerair Lexicon van Henk Kok staat onder ‘huilebalk’ te lezen dat Nederland ooit rouwenden met zakdoeken kende. Het Bossche gemeentearchief bewaart een foto van aansprekers met zakdoeken in de hand. Waarschijnlijk waren het vaker nabestaanden. Ze liepen tussen aansprekers of vooraan in de rouwstoet, zoals in Boxmeer, waar de koster zakdoeken verhuurde. De ‘klagers’ droegen die naar de gewoonte van de oude huilebalken.

Wie was die huilebalk? Stierf eind 18de eeuw een heer, dan hulde zijn dienaar zich in een rouwmantel en zette een hoed op met een slappe rand die over de ogen viel. Vervolgens liep hij midden op straat om de dood aan te zeggen. Hij was volgens historische woordenboeken de huilebalk.

Slappe hoed

In de 19de eeuw gaat de betekenis over van de rouwende op zijn kenmerkende hoofddeksel of een voortdurend huilend persoon. In de Camera obscura lezen we dat Keesje het Diakenhuismannetje als jongen achter de kist van zijn vader liep met