Log in
De dichters van de eenzame uitvaart moeten dichten met bijna niets: de overledene is een grote onbekende. Wat doet dat met hun taal? “Ik zoek naar een toon die iets persoonlijks heeft.”
John Hermse

Een hele opgave, besefte Maria Barnas toen ze gedichten ging schrijven voor Stichting De Eenzame Uitvaart in Amsterdam. Een overledene van wie je bijna niets weet, en dan over hem dichten. Bij een eenzame overledene aan wiens graf ze een gedicht (zie illustratie) voorlas, ging ze bij zijn huis kijken. Gelukkig waren de gordijnen open. Wat ze zag? “Torens lege blikjes bier, een boek dat openligt over tuinieren. Hij had toch nog dromen. Dan gaat er toch iets voor je open.”

Die blik in zijn kamer was voor Barnas genoeg om zich te los te maken uit de ‘onmogelijke situatie’ van de dichter die moet dichten met bijna niets. Eigenlijk wel een goed uitgangspunt voor een gedicht, vindt ze. “Je zit in een tang waar je je als dichter uit probeert te wringen. Het is een wankel evenwicht: iets persoonlijks zoeken in het besef dat het onpersoonlijk is. Ik zoek naar een toon die