Log in
“Dit mag dus vrijdag niet gezegd worden, denkt u daar alstublieft aan?”, zei ze tegen mij. “Dat is goed”, zei ik, “maar waarom vertelt u het wel aan mij?” “Omdat u mijn verhaal anders niet zou begrijpen en mijn man helemaal niet”, antwoordde ze. “Dat begrijp ik”, zei ik, en na enige aarzeling: “maar denkt u dat de andere aanwezigen vrijdag hem zonder dit wél begrijpen?” “Nee, maar dat hoeft ook niet; dit moet echt geheim blijven”, zei ze. En daarmee was wat haar betreft het laatste erover gezegd.
Aart Mak

Drie dagen erna, op de dag van de uitvaart, heb ik gesproken. Er waren voor mij nog twee andere sprekers. Beiden meldden op een bijna jolige toon hoe goed de overledene kon bridgen en hoe geestig hij was als toneelspeler. Hij was blijkbaar iemand met de lach aan zijn broek. Ik keek naar de weduwe. Ze lachte uitbundig om de grappen en keek beide sprekers na afloop van hun speech dankbaar aan. En toen moest ik. Ik vertelde in mijn woorden wat zijn vrouw had verteld over zijn jeugd en over het begin van hun relatie. Even stipte ik zijn en haar verdriet aan dat zij, in tegenstelling tot hun vrienden van toen, geen kinderen kregen. Maar ze hadden het samen altijd goed gehad, tot het laatst. Hij had hard gewerkt, goed verdiend, veel gereisd en, als al gememoreerd, een onderhoudend sociaal leven geleid.

En zo beschreef ik, tot en met het gebed, met open ogen wat de helft van