Log in
Bij het begeleiden van uitvaarten merk ik opvallend weinig van ‘contact’ tussen nabestaanden en hun overledenen. Tijdens de verzorging praten ze wel geregeld tegen de dode, maar dat lijkt meer uit gewoonte dan dat ze echt contact voelen. Als ze moeder warme sokken aantrekken verontschuldigen ze zich vaak – “Ze voelt er wel niks meer van” – , maar ze willen het toch doen, voor hun eigen gevoel. Niet omdat ze denken dat hun moeder, of de geest van hun moeder, er baat bij heeft.
Marjon Weijzen

Wat ik – net als uitvaartverzorger Helmich van Dijk (zie p. 13) – wel vaak hoor is dat mensen een wonderlijke natuurwaarneming hebben, vaak tijdens de uitvaart: een vogel of vlinder op weg naar de kerk, een zonnestraal of een plensbui die precies uitbreekt als we bij het graf staan. Nooit hoorde ik dat iemand dacht in die gedaante of dat natuurverschijnsel zijn overledene te herkennen, getransformeerd in een andere vorm. Nabestaanden ervaren het als een mooi beeld, een gunstig teken misschien. Een beeld dat troost en dankbaar stemt, het gevoel geeft dat ‘het goed is’.

Mijn bevindingen stemmen overeen met recent onderzoek naar het geloof van Nederlanders. Weinig mensen geloven nog in een concrete hemel, hel of in een letterlijk contact met de ziel van de overledene, veel mensen geloven dat er ‘iets’ is.

Toch wil ik een kanttekening plaatsen bij deze cijfers. Rouwenden geloven, denk ik, meer dan niet-rouwenden. Tom Lanoye beschrijft dit meesterlijk in zijn roman Sprakeloos. In deze ode