Log in
Of ik hem ook gezien had, vroeg een oudere mevrouw aan me, toen ik na gedane arbeid zonder doel ronddrentelde in de koffiekamer.
Aart Mak

Ik wist wie zij bedoelde. Toch vroeg ik: “Wie?” “Hans natuurlijk”, zei ze. “Zag u hem ook staan? Ik zag hem tussen de baar en de grote deuren staan, de deuren waardoor we aan het einde van de plechtigheid naar buiten gingen. Hij keek en glimlachte alsmaar.”

De vrouw keek mij verwachtingsvol aan. “Het kan zo troostend zijn. Ook bij een graf zie ik soms iemand staan, veel jonger vaak, maar dezelfde als die we op dat moment in een kist in de grond laten zakken. Mooi hè?”

In de verte zag ik hoe de weduwe en de kinderen van Hans stevig omhelsd en lang vastgehouden werden door een grote schare familie en vrienden. Voorlopig kon ik nog geen afscheid van hen nemen. En omdat ik nieuwsgierig van aard ben en de vrouw voor me mij redelijk intelligent overkwam, vertelde ik haar over mijn moeder. “Was die helderziend?” vroeg ze onmiddellijk als zocht ze medestanders. “Ja, maar ze vond het